Volendammer dialect moet behouden blijven

28 jun 2021

 

Wijlen Jan Kes belichaming van Volendams dialect.

 

Dialecten en streektalen zijn populair, zeker in de literatuur. Uit onderzoek is gebleken dat de meeste mensen in wiens plaats een dialect wordt gesproken, het belangrijk vinden dat deze behouden blijft.

Op de website van Oneindig Noord-Holland (ONH) is een bijzonderstukje regionale geschiedenis te vinden. De werkgroep heeft een aantal Noord-Hollandse dialecten uitgelicht, waaronder het Volendamse.

Jan Kes – overleden in 2017 – heeft zijn steentje bijgedragen door in het originele plat Volendammer dialect een verhaaltje over een vos die een wolf telkens te slim af is voor te dragen. Het verhaaltje draagt de naam ‘De wollef in de vos’. Ook heeft Jan zijn kennis over het Volendams dialect onder meer nog kunnen vastleggen in het 2019 gepubliceerde boek ‘Over Volendams gesproken’. Volgens het ONH moet dit cultureel erfgoed toegankelijk zijn voor iedereen en verbindt deze met de collecties van musea, archieven en andere culturele instellingen.

Vele Volendammers hebben zich, anders dan vroeger, een perfecte uitspraak van het Nederlands verworven. Met de woordenschat ligt dat veel moeilijker, want woorden en uitdrukkingen uit de eerste periode van je leven raak je zelden of nooit helemaal kwijt.

 

‘Lager loon voor mensen met dialect’ voor Volendam niet van toepassing.

Recentelijk maakte het Algemeen Dagblad bekend dat uit onderzoek blijkt dat mensen die dialect spreken 5 tot 15 procent minder verdienen dan mensen die Standaardnederlands spreken naar aanleiding van een onderzoek van de universiteit van Tilburg. Van mensen die dialect spreken wordt gedacht dat ze minder productief zijn, omdat ze lastiger te verstaan zijn dan iemand die ABN spreekt. Volgens het AD is 40% van de Nederlanders opgevoed met een accent of dialect zoals blijkt uit een lopend onderzoek van Sprekend Nederland.

‘In Volendam denken ze daar anders over’

Volgens de bronnen in Volendam van RTV Noord Holland denken ze daar in Volendam anders over. In een reportage in Volendam vonden interviews plaats in het praathuis met museummederwerker Crelis Kes, dijkondernemer Paul Moorman en museumvoorzitter Wim Keizer. Paul Moorman sprak in correct ABN dat hij het een vreemde zaak vond en dat de conclusie betreffende Volendam niet van toepassing is. Eerder werd onderzocht en geconstateerd dat Volendammers de meest verdienende ZZP-ers waren.

In het Volendams Museum liet Wim Keizer weten dat hij trots is op ons dialect. Dialect spreken met niet-Volendammers erbij is niet correct en hoort niet. Dit geldt trouwens ook voor multi-culturele mensen met een Nederlands paspoort. Op school moet verplicht correct ABN worden gesproken. Buiten de school wordt met Volendammers onder elkaar Volendams gesproken.

Dat mensen met een dialect volgens de krant 5 tot 15 procent minder verdienen is zeker niet van toepassing op Volendam. De laatste generaties Volendammers spreken over het algemeen uitstekend ABN. Daar is niks mis mee.

 

Taal en volk van Marken, Monnickendam en Volendam onderzocht in 1943

Volgens museumvoorzitter Wim Keizer was deze professor een taalkundig en volkskundig zwaargewicht. Hij toog in 1943 met zijn Nijmeegse studenten naar Waterland en verbleef 5 volle maanden, van 1 juni tot eind november in hotel Spaander om van daaruit het veldwerk te verrichten voor een onderzoek naar taal en volk op Marken, Monnickendam en Volendam. Dit was een regeringsopdracht aan de dialectencommissie der koninklijke academie, waarvan Jaap van Ginniken voorzitter was. Van Ginniken bepleitte bij zijn opdracht niet alleen Marken maar tevens Monnickendam en Volendam erbij te betrekken. Marken was pas rond 1200 door watervloeden van de vaste wal gescheiden en men mag aannemen dat het oude Waterlandse volk langs de hele Zuiderzeekust in Marken, Monnickendam en Volendam nog hetzelfde was en hetzelfde dialect sprak. Uit de vergelijkende dialectstudie kwam naar voren de ontwikkeling van de 3 thans zo verschillende tongvallen uit één oud-Waterlandse grondtaal. Van Ginniken kreeg bij zijn onderzoek in Volendam de onvoorwaarlijke steun van pater Krelis Tuijp (1914-1984), onderwijzeres Griet Buijs (1913-1976) en meester Jan Steur (1907-1993).

 

Volendammer dialect wetenschappelijk verantwoord

Dat mensen naar aanleiding van uitspraken in het artikel in het AD beweren in de regionale media dat ’t ‘Folledams’ een lokaal gezellig grappig kinderlijk brabbeltje is en geen dialect en zelfs geen subdialect is en alleen gesproken wordt binnen het klaphek, is volstrek onwaar. 

Uitgebreid kan men in het Museumjaarboek 2007 een artikel van 12 pagina’s met foto’s over het Volendammer dialect lezen van schrijver Piet koning onder de titel: ‘De schat van Jaap van Ginniken.

Geboren en getogen Volendammers spreken al honderden jaren naast het ABN onder elkaar nog steeds hun eigen wetenschappelijk getoetste dialect. Professor doctor Jac. Van Ginniken schreef wetenschappelijk boek over het Volendams

In twee forse delen is in 1954 het boek Drie Waterlandse dialecten van Jac. Van Ginniken uitgegeven door een uitgeverij in Alphen aan de Rijn met 887 bladzijden tekst over de dialecten van Marken, Monnickendam en Volendam. Schrijver Jac. Van Ginniken geloofde dat elk volk, elk ras zijn specifieke kenmerken heeft, die ook in zijn taal, in elk dialect resten van vroegere bewoners aanwezig moesten zijn. Wetenschappelijk genoot hij Europese faam.

 

Professor doctor Jac. van Ginniken

Jaap van Ginneken werd in 1877 geboren in Oudenbosch. Hij volgde eerst de handelschool, omdat hij zijn vroeg overleden vader als bierbrouwer zou opvolgen. Studie en priesterschap trokken hem echter meer.

In 1910 werd hij priester in de orde van de Jezuïeten. Hij was toen al na zijn -studie filosofie en Nederlands in 1907 cum laude gepromoveerd met het proefschrift ‘Beginselen van taalpsychologie’. Dat was zo indrukwekkend, dat hij in 1916 gekozen werd tot lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen. Drie jaar later werd hij voorgedragen als hoogleraar op de universiteit van Amsterdam. Hij werd het niet, omdat de rode gemeenteraad om politieke redenen de goedkeuring weigerde. De nieuw opgerichte katholieke universiteit van Nijmegen benoemde hem in 1923 wel: hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde, vergelijkende Germaanse taalwetenschap en Sanskriet.

Jaap van Ginneken werd nationaal en internationaal alom geprezen:

Hij was visionair: door zijn geniale intuïtie zijn tijd vooruit. De keren dat hij daarbij de plank missloeg of slordig en onnauwkeurig was in zijn bewijsvoering, nam men daarbij voor lief. Hij was meer de man van de grote streek dan van het fijne penseelwerk.

Zijn werkterrein bestreek vele velden: hij schreef over taal- en letterkunde, fonologie, dialectologie, psychologie, pedagogie en religie.

Hij liet het daarbij zeker niet bij woorden. Met behulp van psychologie, sociologie en biologie blies hij de taalkunde nieuw leven in. Samen met A.W. de Groot introduceerde hij de fonologie als een nieuwe tak van wetenschap en was medeoprichter van het dialectbureau in Amsterdam. Als psycholoog richtte hij in Utrecht het centraal zielkundig beroepskantoor op en in Nijmegen het wetenschappelijk bureau voor beroepskeuze. Hij stichtte drie moderne kloosterorden (de kruisvaarders van St Jan, de vrouwen van Bethanië en de vrouwen van Nazareth) en was de bedenker van de Graalbeweging ter ontwikkeling van meisjes en jonge vrouwen (De Graalbeweging was in de jaren 30 ook in Volendam actief).

Hij had een wereldwijde blik: studeerde Keltisch, Georgisch, Abchaz. en Baskisch, schreef zowel in het Nederlands, Frans en Duits en wist wat er in de daarbij horende landen op zijn studieterreinen speelde.

Van Ginneken geloofde dat elk volk, elk ras zijn specifieke kenmerken heeft, die ook in zijn taal zijn terug te vinden en was er daarom van overtuigd dat in elke taal, in elk dialect resten van vroegere bewoners aanwezig moesten zijn. Wetenschappelijk genoot hij Europese faam.

 

De Schat van Jaap van Ginniken 

Prof. Dr. Jaap van Ginniken deed in 1943 onderzoek naar taal en volk van Marken, Volendam en Monnickendam en het Volendams van die tijd op uitgebreide en unieke wijze beschreef. Het onderzoek is tenslotte uitgebracht in het boek Drie Waterlandse dialechten van Jac. Van Ginniken. Deze aflevering afkomstig uit het Museumjaarboek 2007 gaat inhoudelijk in op de opzet en uitvoering van het onderzoek van Van Ginneken en illustreert aan de hand van een aantal voorbeelden belangrijke aspecten van de genoemde Waterlandse dialecten. 

Er werd in de drie plaatsen uitvoerig onderzoek gedaan naar de wijze waarop klanken, klinkers en medeklinkers, woorden en zinnen werden gevormd: deel I (348 blz.).

Voorbeeld (Blz 340).

Woord Marken Volendam Monnickendam

Chef sjef sjef, sef sjef

Jam sjem, sem sjem, sem sjem

Machine mesjien mesiene mesjiene 

Juist omdat onze Waterlandse dialectsprekers in het begin van een woord geen stemhebbende v, z, of g kunnen uitspreken, slagen zij er natuurlijk ook niet in, de Franse of Engelse woorden als chef, jam of machine met een stemhebbende glijder uit te spreken, maar maken er een stemloze sj of s van. Ook wordt sj tot s.

b. Er werd in de drie plaatsen ook uitvoerig onderzoek gedaan naar de woordenschat. De woorden werden daarbij steeds gegroepeerd rond een thema: verkering en bruiloft, de boerderij, de botter, ziekten, wasgerei, enz.. Binnen het thema werd er steeds gebruik gemaakt van een eenvoudig verhaaltje waarin alle woorden die bij het thema hoorden, aanbod kwamen: deel II (887 bladzijden). Voorbeeld van het verhaaltje over wat je zoal vindt achter het huis. Na de vet-gedrukte woorden wordt dan achtereenvolgens de uitspraak in het Markens, Volendams en Monnickendams vermeld (blz. 158).

Achter of opzij ligt:

het erf,

het achterafje,

de achterstraat.

Ramen en deuren aan de achterzijde heten de achterboel.

Bij hooggelegen huizen heet de houten achtersteiger:

de steg.

Er is een put

met een puts

of aker,

een regenbak,

waaruit het bakwater

wordt geschept met een bakaker

 

Voorbeeld van het verhaaltje bij de wanden (blz. 164).

In Volendam hangen de wanden vol met: 

heiligenschilderijen,

portretten,

foto’s in lijsten.

Het Volendamse huis is overladen.

Verder treffen we er aan:

een weerglas, 

of barometer

en een spiegel.

Deze thematische aanpak met eenvoudige verhalende verbanden stimuleert, veel meer dan bijvoorbeeld een aanbieding op alfabet (als een woordenboek) of op klanksoort (alle woorden met een euj bij elkaar),  je herinnering en daarmee je belangstelling. Zo zag ik bij het bovengenoemde verhaaltje over de wanden onmiddellijk het heiligenschilderij ‘Christus in de hof van olijven’ an het skot in het grootouderlijk huis, een schilderij waarnaar ik als kind eindeloos vaak en lang heb gekeken, en met nog meer interesse las ik verder.  Jaap van Ginneken streefde daarbij naar volledigheid: er zullen weinig dialecten zijn die zo uitvoerig beschreven zijn als het Markens, Volendams en Monnickendams in dit boek. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de beide delen samen ruim 1200 bladzijden tellen.

 

De pages van Van Ginniken

‘Van de bevolking’, schrijft Van Ginneken, ‘heb ik bij mijn onderzoek alle mogelijke medewerking ondervonden. Op alle drie de plaatsen, maar vooral te Volendam, vond ik bovendien een kleine groep vrienden en vertrouwde en verknochte medehelpers, die met mijn studentinnen mij het taaie, knoestige en moeilijke werk tot verreweg de aangenaamste episode van heel deze oorlogstijd gemaakt hebben. Voor Volendam heb ik buitengewoon veel verplichting aan de noeste arbeid van Krelis Tuyp, juffrouw Buys en Jan Steur.

• Krelis Tuijp (1914-1984) was de man op wie de dialectonderzoekers het meest gesteund hebben. 

In de maanden dat Jaap van Ginneken en zijn studenten in Spaander verbleven, ‘lag ook Krelis er thuis’. ‘De page van Van Ginneken’, schamperde Bruin van de Nivo.
De oud priesterstudent (later zou hij de studie weer oppakken en alsnog priester worden) was sinds een jaar of zes, zeven in de greep van Volendams verleden. Toen er in verband met een missietentoonstelling in 1937 gezocht moest worden naar de familiegegevens van de zusters, broeders en paters missionarissen, was het Krelis die zich daarin had verdiept. 
Een betere gids kon Van Ginneken niet wensen. Maar hij gaf Krelis ook wat terug. Hij liet hem zien hoe een dergelijk onderzoek moest worden aangepakt en hoe de valkuilen voor beginners en amateurs in de genealogische materie vermeden konden worden (zie ook Schipper op, schipper af, blz 177).

 

Juffrouw Buys met haar zus Neel, die trouwde met Japie Lindenboom, de bakker van het Noordeinde. 

 

Griet Buijs (1913-1976), de dochter van de bekende Jentje Buijs, was een begaafde leerlinge en via pastoor Jan van der Weiden hadden de zusters de ouders weten over te halen haar te laten doorleren.

 Via de rooms-katholieke meisjeskweekschool (met kostschool) in het verre Limburgse Reuver werd ze in 1931 onderwijzeres. Dat was voor Jentje Buijs en zijn vrouw Trijntje niet alleen een emancipatoire daad, maar gezien vanuit het naar 13 kinderen uitgroeiende gezin met een reeds voor priester studerende zoon Jaap ook een economische prestatie van de eerste orde. Groot was dan ook de teleurstelling dat Griet na haar studie niet dadelijk een baan kreeg aangeboden in haar geboortedorp en voor een aanstelling naar Groningen moest uitwijken. Ze heeft er twee jaar voor de klas gestaan, voordat ze een baan in Volendam kreeg aangeboden. Toen professor Van Ginneken haar vroeg of ze wilde meewerken aan zijn groot dialectonderzoek, was ze al weer bijna 10 jaar juffrouw Buijs van de zusterschool in Volendam.

Na haar huwelijk in 1948 met Rinus Berkvens verhuisde ze naar diens woon- en werkplaats Rotterdam. Het verhaal daarachter lijkt onwaarschijnlijk, maar is wel waar. Haar priesterbroer Jaap was kapelaan in de havenstad en wilde na 5 jaar oorlog zijn familie wel weer eens zien. Treinen of bussen reden er nog niet en daarom ging hij op de tandem naar Volendam met voorop een jonge, krachtige parochiaan, de smid Rinus Berkvens. Heimwee van Griet bracht het gezin na 10 jaar terug naar Volendam. Op de school van meester Plat werd ze weer juffrouw Buijs en haar man vond werk op de Enkev. 

 

Jan Steur (1907-1992) is de bekende eerste onderwijzer van het dorp, de oudste zoon van de Koster, over wie reeds in ‘Schipper op, schipper af’ werd geschreven (blz. 66): 

‘Het leek wel of de hand van onze -lieve Heer bij het scheppen van meester Steur even was uitgeschoten, zoveel talenten had hij gekregen: schrijver van het jeugdboek ‘Volendam in de boze winter van 1916’, dat nationaal succes genoot, verdienstelijk turner, midvoor in het eerste elftal van Volendam, tekenaar en schilder, toneelspeler, zanger, organist en dirigent.’ Ook voor het grote taalonderzoek zag Jaap van Ginneken zijn waarde.

Krelis Tuyp, juffrouw Griet Buys en meester Jan Steur legden de contacten met de (geschikte) dorpelingen en controleerden nauwgezet of de genoteerde resultaten overeenkwamen met de werkelijkheid van het Volendamse dialect. 

 

Een nalatenschapscommissie 

Twee jaar na het veldonderzoek, midden in de ordening van het feitenmateriaal en de voorbereiding van de publicatie overleed Jaap van Ginneken plotseling op 20 oktober 1945. Enkele jaren voor zijn dood had hij echter vanwege de oorlogsomstandigheden in en rond Nijmegen een aantal voorzieningen getroffen voor het geval dat hij zou komen te overlijden. Zo was er een commissie uit zijn oud-leerlingen aangewezen die de zorg op zich zou nemen voor zijn wetenschappelijke nalatenschap. Deze commissie heeft zijn geestelijke nalatenschap geordend en het als ‘het archief - J. van Ginneken’ overgedragen aan de universiteitsbibliotheek in Nijmegen. Bijzondere zorg vroeg het materiaal over de Waterlandse dialecten. Het streven werd om de grote dialectstudie van Jaap van Ginneken postuum uit te geven. Dat was, zo direct na de Tweede Wereldoorlog, echter geenszins eenvoudig. De grote financiële steun en toeverlaat hierbij is geweest de stichting voor het bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders, die ook het veldwerk al grotendeels betaald had. Andere sponsors waren het prins Bernhard-fonds en de Nederlandse organisatie voor zuiver wetenschappelijk onderzoek. Pas in 1954, ruim negen jaar na het overlijden van Van Ginneken en 11 jaar na het veldonderzoek lukte het tot een publicatie te komen van de Drie Waterlandse dialecten. Deel I, grammatica, fonologie en klankleer, werd (voornamelijk) bezorgd door professor dr. A. Weijnen en deel II, de structuur van de woordenschat, werd (voornamelijk) bezorgd door een van de 12 studenten uit de oude werkgroep, mevrouw M. van den Hombergh-Bot, die er tegelijkertijd op promoveerde.

 

De fonetische spelling 

Niet alleen de financiële problemen waren verantwoordelijk geweest voor de grote vertraging in de uitgave. Ook inhoudelijk hadden de postume bezorgers van de uitgave grote meningsverschillen moeten overwinnen. Toen Jaap van Ginneken overleed, waren er delen geheel gereed voor publicatie, maar er waren ook stukken die hij nog niet uitgeschreven had en kwesties waarbij hij een minder gelukkige keuze of nog geen keuze gemaakt had. Dat gold met name ten aanzien van de fonetische spelling. Uiteindelijk werd besloten een nieuw fonetisch spelling-systeem voor dit werk te laten ontwerpen door Jo Daan, toen één van de jonge coryfeeën van het dialectbureau, waarmee (let op hoe netjes de hevige en langdurige ruzie werd toegedekt) ‘na langdurig overleg ook de andere bezorgers van de uitgave zich hebben kunnen verenigen’. Fonetische spelling is een spellingsysteem waarbij volgens vaste, voor elke lezer duidelijke regels alleen op de uitspraak wordt gelet. Bij een goede fonetische spelling kan iedere geïnteresseerde wetenschapper of be-langstellende de dialectische woorden en zinnen op de juiste wijze uitspreken, of hij nou uit Edam, Amerika of China komt, of in onze of in een andere tijd leeft: bij voorbeeld Volendammers uit 3007 die willen weten hoe hun voorvaderen in het stenen tijdperk van 2007 spraken. 

Wij leken moeten altijd ‘even wennen’ aan zo’n fonetische spelling, want er worden soms andere, in het begin wat vreemd aandoende tekens gebruikt die we in onze gewone Nederlandse spelling niet gewend zijn:

bv.
de oe wordt weergegeven met een u,
de u wordt weergegeven met een y,
de g wordt weergegeven met een x. 

Dat heeft met het internationale karakter te maken Maar het went snel, vooral voor ons Volendammers, die het dialect beheersen en daarom weten waar het naar toe moet. Ik geef hieronder een paar voorbeelden:

Voorbeeld 1

-    De onbeklemtoonde e of uh wordt weergegeven als ə : bv. kalf schrijf je fonetisch :kaləf 

Bij de klinkers onderscheidt men: kort (a); lang (a .);zeer lang (a :) en helderheid geef je aan met een accent: bv  vlees = flá .s 

De schrijfwijze van de èè is E ; de schrijfwijze van de n is ή :  bv. vinden we=  fE.ήdə wə

De schrijfwijze van de g is x en de medeklinkers worden nooit verdubbeld: bv. god lekker = xod lekər 

In één zin staat er:

kalfsvlees    vinden  we   heel lekker   (in het Nederlands, gewone spelling)

kalfsvlees     vinden  we   god lekker   (in het Volendams, gewone spelling)

kaləfs flá .s   fE.ήdə  wə   xod lekər    (in het Volendams, in fonetisch schrift)

Voorbeeld 2            

 We trokken  wel eens  aan de paardestaarten              (in het Nederlands, gewone spelling)

 We   deden  welderes  an   de paardestaarten  trekken(in het Volendams, gewone spelling)

 Wə  dan.ə   weldərəs an   də påjrdəståjrtə  trekə    (in het Volendams, in fonetisch schrift)            

Voorbeeld 3

De ui in huis = ö                            bv. huis = ös

De uu  in Puul = y                          bv. Puul = Pyl

De oe wordt weergegeven als u     bv. goed = gut

De i wordt weergegeven als E             bv. is = Es

De ie wordt weergegeven als i       bv. niet = nit

Hier volgt een klein fragment uit het ontroerende verhaal van moeder Ballap over sterven van haar 17-jarige dochter Ajf (Eef) na een maagoperatie.

De volgende dag belden ze van het ziekenhuis op naar de Puulen, mijn buren: ‘Vrouw Ballap, 

De folgənde dáx beldə   sə van ət  sikənös óp      nå.jr də Py.lə,   mə by.rə:  ‘Vraw Ballap, 

je moet maar komen, want het is nu niet goed met Eef’. Wij er  heen; ze lag daar te zwoegen. 

jə mutə mo.r komə,  want ət Es naw nit gut mEt Ajf’.  WE.j ər כּin; sə lág då.jr tə swu:gə. 

De dokter was er ook bij en zei:   We moesten Eef maar bedienen, het is beter voor haar. 

Də doktər was ər ó.k bE:j En sá: Wə mostə Ajvi mo.r bədinə, ət Es bכּitər vכּir ər. 

Eefje zei: Als O.L.Heer het hebben wul, dan moet het maar, maar ik dacht dat ik beteren deed. 

Ajvi sá. : as slivənå.jr   ət ebə  wöl,     den mut ət mo.r, mo.r  Ek doxt, dat Ek bכּitərə dajn.

Toe meid, doe het maar, als O.L. Heer het beter vindt, dan moet die je maar nemen en anders  hou ik je. Willem en ik binne er toen bleven.

Tu má.t, dun ət mo.r,    as slivənå.jr  ət  bכּitər vE.nt,  den mut di jə  mo.r  nכּimə En o.rs 

 aw Ek jə.  Wöləm En Ek bEnə ər tu blכּivə.