Het leven van een hoekwantvisser (toeker)

21 jan 2026

Het leven van een hoekwantvisser (toeker) verteld door Jan Jobse Tol

Ik ben het tiende kind van een gezin van elf kinderen. Mijn vader, Jan Tol, bijgenaamd Jan van de Knoest, (1903-1989) was visserman vanaf zijn twaalfde jaar op de Zuiderzee.  Na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 was hij visserman op het IJsselmeer. De eerste jaren van zijn werkzame leven is mijn vader drie jaar lang zeeziek geweest. Maar denk  niet dat zeeziek zijn een reden was om te mogen stoppen met vissen. Dat kon je uit je hoofd zetten. Er was in feite geen andere mogelijkheid. Er was weinig ander werk. Scholing of beroepskeuze was voor vader niet mogelijk.

Mijn twee oudste broers Crelis (1931-2020) en Hein (1935-1996) waren eveneens IJsselmeervissers. Mijn vader kocht in 1936, gelijk met een aantal andere Volendammers, bij scheepswerf C. Amels te Makkum een ijzeren botter. Het type was een ,rondkop’ dan wel ,spekbak’. In die tijd was er bijna geen mogelijkheid om geld van een bank te lenen. Van de Staat kreeg men een krediet van maximaal f. 1500,--- als men aan bepaalde voorwaarden van solvabiliteit en vakmanschap voldeed.

Daarnaast dient te worden vermeld dat de vissers veel dank verschuldigd waren aan Jan en Evert Schokker, de zeilenmakers. Deze mannen verstrekten aan de vissers leverancierskrediet. De vissers hadden o.a. zeilen, touwwerk en blokken (een soort van katrol) nodig teneinde hun vak te kunnen uitoefenen. Het was een kwestie van wederzijds vertrouwen dat nooit is beschaamd.

Mijn vader en veel van zijn collega’s hadden het geluk dat zij die leningen snel kon terugbetalen omdat er in het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1940 veel geld in omloop was. Er was sprake van een sterke inflatie. Dat wil zeggen: Het geld werd veel minder waard en de goederen werden veel duurder. Ook voor de vis werd veel meer betaald. In 1936 was de prijs van een pond aal f. 0,06 of f. 0,07 cent. In 1940 werden er maximumprijzen vastgesteld van f. 0,34 f. 0,37 tot f. 0,51. Dit was afhankelijk van het gewicht van de aal. Paling van een pond en zwaarder bracht in die tijd wel f. 1,75 per pond op. 

Er waren echter ook vissers, leeftijdgenoten, die niet in aanmerking kwamen voor een dergelijk Staatskrediet. Zij konden dan of een kleiner schip of helemaal geen schip kopen.  Maar let wel: Met een klein schip was je kwetsbaar en beperkt in je mogelijkheden. Je kon veel minder risico nemen. Maar zwaarwegender was het feit dat je niet overal kon vissen waar je wilde. De collega vissers, met een groter schip en sterker motor, konden dat wel en verdienden dan ook vaak een betere boterham. Die schepen voeren ook sneller en waren stabieler. Want die grote zee waarschuwt nooit. En wat kon en kan die zee woest zijn. 
 

Verschillende soorten visserij.

In Volendam waren er IJsselmeervissers met verschillende soorten van visserij en verschillende vistechnieken. Er waren, op zijn Volendams gezegd, dwarskulers, korders en toekers. (Het Nederlandse woord is: dwarskuiler). De kuilers en korders visten met een net. De toekers visten met haken. Later kwam daar de fuikenvisserij bij. Van betrekkelijke korte duur is de kistjesvisserij geweest. Mijn broer Kees (1941) was daar de initiatiefnemer van. Die was in 1975 de eerste leverancier in Volendam die deze kistjes zelf voor de vissers vervaardigde en leverde.

 

 

 


Botter VD 78 (dwarskuiler) met enkele vrouwen in dracht op de plecht op voorgrond. 

Dwarskuiler

Deze vorm van visserij werd voornamelijk met botters op de Zuiderzee uitgeoefend. De ene kant van de kuil is verbonden met het voorschip, de andere kant met het achterschip. Daar men echter met slechts één schip viste en de wind alleen kon gebruiken voor het verlijeren (de wind beweegt het schip opzij richting de lijzijde) werden er echter geen grote vangsten gemaakt.

Korders

Hier werd gevist met een zogenaamde kornet een zakvormig visnet, dat men over de bodem voortsleept en dat aan de voorzijde door een korboom of korstok opengehouden wordt. 

Toekers

Veelal volendammers viste met toeken of hoekwant (vistuig bestaande uit een combinatie van lijnen met haken).

Fuikenvisserij

Hier werde gevist met zg. fuiken. Bestaande uit een rond hoepels gespannen toelopend net waarin zich trechtervormige delen, de inkels, bevinden en eindigend in een soort van dichtgesnoerde zak, de kruik. Vaak voorzien van uitstaande vleugelnetten aan de eerste hoepel.

 

kistenvisserij

Hier werd gevist met zg, aalkistjes. Dit zijn langwerpig houten kist(je) met open uiteinden waarin inkels (trechtervormig visnetje die het terug zwemmen beletten) aangebracht zijn.